Basis Les 6: dialogen schrijven (Gratis voorbeeld)

Dit is een voorbeeldles. Koop alsjeblieft de cursus voordat je de les begint.

“Dialogue is not just quotation. It is grimaces, pauses, adjustments of blouse buttons, doodles on a napkin, and crossings of legs.” – Jerome Stern

In deze les gaan we de dialoog aan met onze karakters. Om een verhaal een beetje vlot te houden, zul je zo af en toe je karakters met elkaar in gesprek moeten laten gaan. Dat kan je op twee manieren doen:

  1. De directe rede: “Doe maar een biertje, en zet er een jonge naast,” zei de vrachtwagenchauffeur tegen de barman.
  2. De indirecte rede: De vrachtwagenchauffeur bestelde een biertje en vroeg de barman om er een borreltje naast te zetten.

De spreekstijl van je personage (tone of voice)

Houd er wel rekening mee, dat ieder personage een eigen manier van spreken heeft. Vraag je aan drie verschillende mensen de weg naar een bepaalde winkel, dan zal geen van drieën hetzelfde antwoord geven. Zelfs “ik weet het niet” kan op allerlei manieren verwoord worden:

  • “Sorry, ik weet het niet.”
  • “Heb je geen Google Maps of zo?”
  • “Geen flauw idee, man.”

Het antwoord is afhankelijk van verschillende factoren: opleiding, leeftijd, opvoeding, cultuur, persoonlijkheid van het karakter (agressief, beleefd, bazig, diplomatiek, verlegen), zijn emotie van dat moment (boos, verdrietig, chagrijnig, vrolijk, trots of probeert hij iets te verbergen) en de relatie van het personage ten opzichte van de vraagsteller. Je spreekt anders tegen je geliefde dan tegen je baas. Tenzij je baas je geliefde is.

Als schrijver van korte verhalen word je uitgedaagd om een dialoog zo op te schrijven dat je de essentie van de tone of voice van je karakter te pakken krijgt, zonder alle eh’s en herhalingen. Doe je dat wel, dan is dat verschrikkelijk saai en je lezer haakt zonder pardon af.

Zo kun je de tone of voice van een butler als volgt pakken: “Natuurlijk, m’neer.” Ik zie hier bijvoorbeeld een echte Joost voor me: de butler van Ollie B. Bommel. Zo’n butler die zijn heer dient en zich bepaalde maniertjes heeft aangeleerd. Het is dus de truc om de maniertjes te pakken te krijgen, zodat je lezer in de gaten krijgt hoe een personage spreekt, zonder dat je de lezer verveelt.

Tip: Als je een bepaald type in je verhaal hebt en er loopt toevallig iemand rond in je omgeving die erop lijkt, observeer dan eens hoe diegene spreekt. Het helpt ook om de dialoog hardop uit te spreken en daarna op te schrijven. Wat ook werkt, is de dialoog voor te lezen als je hem hebt opgeschreven. Dan hoor je of het natuurlijk klinkt. Als dat niet het geval is, dan ga je herschrijven.

Wanneer je de indirecte rede gebruikt

Soms is het niet handig om de directe rede te gebruiken, bijvoorbeeld als je een samenvatting krijgt. Bijvoorbeeld:

Ze herhaalde wat haar man had gezegd. Haar vriendin luisterde naar haar tot ze zichzelf schor had gepraat.

Of:

Toen opa weer over de oorlog begon, luisterden we beleefd, maar we verveelden ons kapot. Dit hadden we al eens eerder gehoord.

Zij zei, hij zei

Natuurlijk is het handig om te vertellen wie wat zegt. Dat noemen we dialoogtags. Je hoeft niet altijd aan te geven wie wat zegt. Let wel goed op dat je lezer niet in de war raakt. Een goede stelregel is dat je een nieuwe alinea begint als er een andere spreker aan het woord is. Dat kan er zo uit zien:

“Wat doe je?” vroeg ze.
“Niets,” zei hij.
“Ben je koffie aan het zetten?”
“Nee.”
“Wat doe je dan?”
“Nie-hiets, dat zei ik toch,” zei hij geïrriteerd.

Je ziet precies wie er aan het woord is. Je hoeft dus niet altijd zei hij, zei zij erbij te zetten. Je kunt wel aangeven hoe een personage iets zegt. De laatste zin van het stukje dialoog geeft hier bijvoorbeeld aan dat de spreker geïrriteerd is. Maar een personage kan ook fluisteren, schreeuwen, beschaamd zijn, vleien of andere manieren van spreken hebben. Gebruik deze niet te veel, anders haakt de lezer misschien af. Bovendien kun je vaak door de woordkeuze al zien dat iemand iets op een bepaalde manier zegt. Het gebruik van het woord nie-hiets geeft dat in dit geval ook al aan. Het woord geïrriteerd is dus eigenlijk al overbodig.

Tien minuten opdracht

Zet de wekker weer op tien minuten. Een man heeft voorgesteld dat zijn vriendin plastische chirurgie ondergaat. Bedenk: wat moet de vrouw aanpassen en waarom? Hoe zou de man dat hebben gesuggereerd? Schrijf het gesprek op tussen de man en zijn vriendin.

Als je het leuk vindt, kun je deze aanzet gebruiken om er een kort verhaal van te maken. Maak in ieder geval nog even de quiz en voltooi daarmee deze les. De volgende les, les 7, gaat over beschrijvingen van scenes en de tijd en plaats waar het verhaal zich afspeelt.

Lestags: dialogen, directe rede, indirecte rede, korte verhalen schrijven
Terug naar:Verhalen schrijven – de basis