Basis Les 7: de omgeving beschrijven (Gratis voorbeeld)

Dit is een voorbeeldles. Koop alsjeblieft de cursus voordat je de les begint.

Geweten: een soort multifunctionele ruimte in ons hoofd, met verplaatsbare tussenwanden. – Lévi Weemoedt

In les zeven gaan we het hebben over het beschrijven van de omgeving waar het verhaal zich afspeelt. In de literatuur heeft men het over ruimte. Ruimte gaat niet alleen over de fysieke locatie, maar ook over het weer. Het beschrijven van de ruimte kan spanning oproepen in je verhaal. Zo kan de beschrijving van een donker bos een verhaal heel spannend maken. Je verwacht als lezer dat er iets gaat gebeuren.

Je kunt de ruimte ook gebruiken om aan te geven dat alles in orde is, maar dan, als donderslag bij heldere hemel gebeurt er iets. Zo kan je een gezellige straat beschrijven waar mensen hun inkopen aan het doen zijn en plotseling wordt er geschoten.

Ook het weer kan meespelen: onweer en storm bijvoorbeeld geven aan dat er iets gaat gebeuren. Een zonnetje geeft aan dat alles in orde is. Maar ook hier kan een stralend zonnetje verbergen dat er iets gaat gebeuren.

Zo kan ruimte de lezer of helpen of op het verkeerde been zetten.

Waar laat je je verhaal zich afspelen?

Je kunt het heel vaag houden:

Er was eens, lang geleden in een land hier ver vandaan…

Iedereen weet door de formulering dat je een sprookje gaat vertellen. Plaats en tijd doen er niet zoveel toe. Jouw verhaal kan zich op een andere plek afspelen: in huidig Rotterdam, op een Middeleeuws kasteel of in het jaar 2525. Iedere setting heeft impact op je verhaal, hoe je karakters eruitzien, hun manier van spreken en waarover ze spreken, de inrichting van hun huizen en ga zo maar door. Ieder onderdeel van je verhaal wordt daardoor beïnvloed.

Niet alleen je personages moet je onderzoeken, ook je verhaalomgeving moet aan onderzoek worden onderworpen. Het makkelijkste is het om te schrijven over een omgeving die je goed kent. Ook daarin schuilt een gevaar: dat je niet gedetailleerd genoeg schrijft, of juist te gedetailleerd. Verderop zal ik uitleggen waarom dit gevaarlijk is.

Als je een plek neemt, waar je nog nooit bent geweest, dan kun je er naar toe reizen, op internet plaatjes bekijken of erover lezen. Als je zelf een plek wil bedenken, dan moet je het plaatje goed voor je zien.

Even een experiment: lees nog niet vooruit, lees regel voor regel en volg de opdracht.

Stel je een kamer voor. Neem de tijd om die kamer goed voor je te zien.

Stel nu dat ik zeg dat het om een restaurant gaat. Nu moet je vast het plaatje aanpassen in je hoofd. Doe dit en neem weer de tijd om het plaatje voor je te zien.

Stel nu dat het restaurant dicht is en dat alleen het licht van een lantaarnpaal door een smerig raam schijnt. Nu heb je het plaatje waarschijnlijk opnieuw moeten aanpassen.

Het is dus heel belangrijk dat je ervoor zorgt het plaatje in detail voor je te kunnen zien en te beschrijven. Je moet de lezer echt aan de hand meenemen de omgeving van je karakters in. Jij stuurt de fantasie van de lezer. De beschrijving is dus echt onderdeel van je verhaal en niet de kers op de taart. Hoe specifieker je informatie, hoe beter het is. Zeggen dat Christa een brunette is, is niet voldoende. Als je zegt dat Christa een brunette is met steil haar, een bril, beugeltje en jeugdpuistjes, dan stuur je de lezer alvast een bepaalde richting in.

Gebruik de juiste details

De lezer heeft niet eeuwig geduld met beschrijvingen. Soms duren ze veel te lang en dan zal de lezer stukken tekst overslaan. Zoals ik al eerder aangaf: teveel details zijn niet goed. De lezer gaat dat echt niet allemaal onthouden en zeker niet voor zich zien. Als je dus een plek neemt die je kent, dan bestaat het gevaar van teveel details waardoor de lezer door de bomen het bos niet meer ziet en bij te weinig details geef je niet genoeg sturing aan de lezer voor het visualiseren van de omgeving.

Het is belangrijk om juist die details te beschrijven die de omgeving typeren: een leunstoel en een bankstel zijn niet voldoende om de ruimte onderscheidend te maken. Als ik daar echter bij vertel dat de meubels nog in het plastic zitten, dan kan de lezer daarbij een type bedenken dat een netheidsmanie heeft.

Bedenk ook welke details een personage zouden opvallen. Een schoonmaakster zou het bijvoorbeeld opvallen als er overal kruimels liggen en dat de afwas er nog staat. Een sloddervos zou het zijn opgevallen als alles er kraakhelder en schoon bijligt.

Probeer zo krachtig mogelijk te schrijven. Denk aan krachtige werkwoorden en zelfstandige naamwoorden voordat je met bijwoorden gaat strooien.

Bijvoorbeeld

Het huis was een verschrikkelijk, vreselijk en bouwvallig krot.
Het huis stond op instorten.

De tweede zin is kort en krachtig. De eerste zin zegt hetzelfde met veel meer woorden.

Tien minuten opdracht

Een vrouw heeft via internet een hotel geboekt. De plaatjes bij het hotel beloofden witte stranden, een zwembad en sauna en een prachtige kamer. Het hotel is echter een ware nachtmerrie.

Zet de wekker op vijf minuten en probeer je een beeld te vormen van het hotel. Hoe ziet de kamer eruit? Wat treft de vrouw er aan?  Denk aan de lakens, het balkon, eventueel ongedierte en hoe je normaal gesproken een hotelkamer zou moeten aantreffen.

Zet de wekker opnieuw op vijf minuten en beschrijf de kamer die je je zojuist hebt voorgesteld vanuit het oogpunt van de vrouw.

Je ziet hoe belangrijk de juiste details zijn voor het geven van een beeld en voor het sturen van je lezer. Door details weg te laten kun je ook sturen.

Maak nog de quiz en voltooi deze les. Les nummer acht, de laatste les gaat over het herschrijven van je verhaal. Dat lijkt veel werk, maar het is wel de moeite waard om dit te doen. Tot de volgende les!

Lestags: details, korte verhalen schrijven, omgeving, ruimte
Terug naar:Verhalen schrijven – de basis